Rijping

Vanaf het moment dat een baby in de buik van zijn moeder begint te bewegen, voelen, horen, ruiken, proeven en zien, ontstaan er netwerken in de hersenen tussen de verschillende gebieden waar deze informatie terecht komt. Het kind begint te leren. Het leert de grenzen van zijn lijf te voelen en er vormt zicht een "plaatje" van het lichaam en wat dat lichaam allemaal kan. Na de geboorte komt daar het element zwaartekracht bij. Het kind gaat zich tegen de zwaartekracht in bewegen en leert zijn lichaam goed kennen. Eerst worden deze bewegingen gestuurd door een soort van "voorgeprogrammeerde" beweegpatronen, maar door veel te bewegen, met veel variatie, ontstaan er steeds meer netwerken. Hiermee krijgt het kind grip op zijn lichaam en kan zelf zijn houdingen gaan bepalen en handhaven. Vanuit de verschillende houdingen wordt de wereld ontdekt, gaat het kind verbanden leggen en groeien de netwerken steeds verder. Verbindingen die vaak gebruikt worden, worden steeds sterker en de informatieoverdracht verloopt steeds sneller. Er hoeft niet meer bij nagedacht te worden en de vaardigheid kan ingezet worden om iets nieuws te leren.

 

Bij alle kinderen verloopt de ontwikkeling op ongeveer dezelfde manier, echter door aanleg, interesses en omgevingsfactoren kan het tempo en de vlakken waarop het kind zich het snelst ontwikkelt verschillen van leeftijdsgenoten.

 

Het kan dan gebeuren dat een kind nog onvoldoende netwerken heeft aangelegd of dat de netwerken nog niet sterk genoeg zijn als het gestimuleerd wordt om toch een nieuwe (schoolse) vaardigheid te leren.

Een kind krijgt bijvoorbeeld al letters aangeboden, maar kan nog niet alle klanken goed onderscheiden (b,p,d klinken hetzelfde). Een kind moet leren lezen, maar de ogen kunnen nog niet goed fixeren en volgen (woorden of letters worden gemixt). Een kind moet al van links naar rechts gaan werken terwijl het nog niet over de middellijn heen kan denken. Een kind moet al leren schrijven terwijl het de armen nog niet goed los van het lichaam kan bewegen of nog moeite heeft om een rechtop zittende houding aan te nemen en/of vol te houden (hangt ver voorover, zakt onderuit).

Zomaar wat voorbeelden waarop de omgeving het kind stimuleert iets te doen waar het qua rijping nog niet aan toe is.

 

Het brein is heel creatief, dus het kind zal (nieuwe) netwerken in de hersenen aanleggen, zal leren, maar het geleerde zal minder efficiënt zijn omdat het kind moet compenseren. Het zal bijvoorbeeld het lichaam klem zetten (zitten met de billen tussen de benen of hangen op de armen), bewegingen sneller uitvoeren of meer kracht zetten, het gaat de opdracht vermijden, zich uit de opdracht kletsen of ander gedrag laten zien (bijv. wiebelen, friemelen, kauwen op voorwerpen).

Indien dit niet tijdig opgepikt wordt door de omgeving, kunnen er problemen gaan ontstaan op school of juist thuis. Er ontstaat bijvoorbeeld frustratie en/of het kind komt vermoeid en verdrietig uit school. Het kind wil niet meer, er ontstaat stress en de prikkelbaarheid neemt toe. Er is dan geen goede verhouding tussen de belasting en belastbaarheid meer. Dit staat de verdere ontwikkeling van het kind in de weg.